Bangkok, Thailand / 18 augustus 2015

Backpacks op wieltjes

Mijn moeder en stiefvader zijn inmiddels weer veilig aangekomen in Nederland, na bijna 5 weken door Indonesië gereisd te hebben! Drie van deze weken hebben we samen doorgebracht op Bali, Lombok en Java, en het was top! Van tevoren uiteraard wel spannend: zouden we op een lijn zitten qua voorkeur voor slaapplekken, eten en de dingen die je wilt zien? Gelukkig ging dit allemaal goed, en hebben we (als ik even voor alle vier mag spreken) er allemaal van genoten.

Griepje in het paradijs

Een week voor de aankomst van mijn moeder en stiefvader (Rob) landden wij al op Bali. Omdat we Bali samen wilden ontdekken zijn we eerst voor een aantal dagen naar een klein eilandje gevaren, Nusa Lembongan. Op aanraden van Ludo en Maura, en met voldoende tips op zak om ons te vermaken kwamen we aan op een klein paradijsje. Hier zouden we wel even kunnen vertoeven, mooi strand, relaxte sfeer en een prima guesthouse met (eindelijk weer!) een eigen kamer. Vooral die laatste hebben we gebruik van gemaakt, want we hebben de tijd vooral doorgebracht met ziek op bed liggen. Allebei uitgeteld van de laatste weken reizen, de grote temperatuurwisselingen tussen vochtige hitte en airco, en de hectische drukte in China. Gelukkig hadden we er nu de tijd voor en hoefden we even niks. Af en toe een wandeling over het prachtige strand, beetje zwemmen, genieten van één van de mooiere zonsondergangen die we hebben gezien en de heerlijke Indonesische keuken. We wilden ook gaan snorkelen, maar waren allebei helaas te verkouden om daaraan te beginnen. Na 5 dagen waren we echter wel weer uitgerust en fit, zo’n eiland is helemaal niet verkeerd om even uit te brakken ;-)

Nusa Lembongan

Een nieuwe wereld

Vanaf Lembongan zijn we terug gegaan naar Bali, naar het stadje Sanur. Hier hadden we afgesproken om de eerste paar dagen met mijn moeder en Rob door te brengen. Sanur is een stadje aan de kust van Bali, toeristisch maar wel gemoedelijk. We wilden ze op zijn minst even de tijd geven om bij te komen van de vlucht, voordat we ze zouden laten kennismaken met het echte backpacken ;-) Wel gek om elkaar in een ander land dan Nederland te treffen, maar heel leuk om nu eens te kunnen laten zien wat wij de afgelopen maanden hebben ervaren.
Uiteraard waren we allemaal blij elkaar weer te zien en hadden we genoeg bij te praten. Gelukkig viel de jetlag mee en werden we goed ontvangen in het guesthouse, dus konden we al snel genieten van een welkomstdrankje aan het strand!

Elke dag feest

Hoewel wij natuurlijk wel al een indruk van Bali hadden opgedaan, namen we nu de tijd om wat meer rond te kijken en de Balinese cultuur op te snuiven. Voor mijn moeder en Rob ging er helemaal een nieuwe wereld open, zo anders dan Nederland! En daardoor voor ons ook, want na zoveel maanden reizen merk je af en toe wel aan jezelf dat je sommige details over het hoofd gaat zien, omdat je al zoveel indrukken krijgt en het voor ons minder nieuw is. Maar door andermans enthousiasme raak je zelf ook weer sneller verrast. Om te beginnen door de lokale bevolking, wat een vriendelijke mensen! Mijn moeder en Rob konden er niet over uit dat je altijd een glimlach krijgt, van kleine kinderen tot oude vrouwtjes. ‘Je kan hier niet níet vrolijk zijn, als je langs iemand loopt die enthousiast reageert, kan je niet anders dan teruglachen!’ Wat ook bijzonder is aan Bali zelf, is de religieuze invloed. Ongeveer 93% van de Balinese bevolking hangt het Hindoeïsme aan, gegoten in een geheel eigen vorm welke alleen op Bali voorkomt (Agama Hindu). En dat betekent uitbundigheid, in de architectuur, de gebruiken en de feestdagen (meer dan 200 dagen per jaar zijn feestdagen!). Bali wordt ook wel het eiland van 1000 tempels genoemd, en dat zie je inderdaad in elk huis terug. Als er maar een beetje genoeg geld is binnen een familie wordt de binnenplaats van het huis ingericht als een altaar, met complete versierde bouwwerken om de goden welkom te heten. Dagelijkse offers worden gebracht aan de goden in kleine bakjes, waar bloemen, rijst, koekjes, wierook etc in zitten. Die bakjes liggen overal, bij elk winkeltje voor de deur, op de stoep voor elk huis, op altaars die aan de rand van de rijstvelden staan. Soms een beetje onhandig, maar bijzonder om te zien. Het geeft een sfeer aan het eiland die we nog nergens anders hebben gezien.

Offerbakje bij een rijstveld

In de tijd dat wij er waren was iedereen aan het voorbereiden voor de Hari Raya Galungan, een feestdag waarbij de overwinning van het goede (Dharma) op het kwade (Adharma) wordt gevierd. Door middel van versierde bamboestokken, die als bogen over de straten heen hangen, worden de goden uitgenodigd om af te dalen naar de aarde voor de viering. Overal zagen we mensen die druk bezig waren met de voorbereiding door het kunstig uitsnijden van bladeren voor de versieringen, en de offers in de bakjes werden in overvloed gebracht. Heel mooi om te zien!

Versiering voor Hari Raya Galungan

Nasi campur en Bali kopi

Wat voor ons een groot onderdeel is van het reizen en kennismaken met verschillende culturen is het eten. Wij moeten daarbij wel rekening houden met een wat krapper budget en proberen dus meestal lokaal te eten. Daarbij komt dat de lokale restaurants meestal de verste producten en veel kruiden en specerijen gebruiken, en dus de lekkerste gerechten serveren! Je moet alleen wel even voorbij de plastic stoeltjes en wat minder schone straat kunnen kijken. Gelukkig waren mijn moeder en Rob bereid om het ook eens te proberen, dus de tweede avond (de eerste hebben we nog even op safe gespeeld) zijn we naar een night market gegaan. Een pleintje met verschillende karretjes met allerlei gerechten uitgestald, heerlijke geuren die je al van verre tegemoet komen. Dat is nasi campur, ofwel rijst met van alles. Je krijgt rijst en wijst vervolgens aan wat je erbij wilt; kip, garnalen, eieren, groenten, noem maar op. Zo lekker! Mijn moeder en Rob waren er ook fan van (zeker nadat de volgende dag bleek dat ze er niet ziek van waren geworden) en waren al gauw op het punt dat ze streetfood lekkerder vonden dan de restaurants, leuk! Wel even wat anders dan de eerste dag, toen mijn moeder en Rob net waren aangekomen en we even wat te eten voor ze wilden halen. ‘Maakt niet uit wat’, zei mijn moeder, ‘iets van een broodje kaas ofzo’. Episch!
Een ander pluspunt van Indonesië is de heerlijke koffie (Bali kopi)! Met name mijn moeder is een grote koffieaddict, dus wat een geluk dat men in Indonesië goede koffie drinkt ;-) Tot nu toe hadden wij namelijk niet veel beters gehad dan oploskoffie.

De night market in Sanur

In Sanur hadden we, naast bijpraten, eten en van het strand genieten, ook de mogelijkheid om op een rij te zetten wat onze verwachtingen waren voor de komende weken en wat we graag wilden zien van Indonesië. Met zijn tweeën reizen is natuurlijk anders dan met zijn vieren, en dus een beetje voorbereiding is niet verkeerd! Mijn moeder en Rob wilden zoveel mogelijk meedoen met onze manier van reizen, en gingen dus proberen om op hetzelfde dagbudget te leven. Dapper en heel tof!

De backpackers-mentaliteit

Na Sanur was de volgende stop Ubud, een stadje iets noordelijker op Bali, waar de omgeving heel mooi zou zijn voor een goede wandeling. Vanaf nu begon het echte backpacken! En dat houdt in: voor alles zo min mogelijk betalen en overal over onderhandelen. Wij zijn inmiddels gewend aan mensen die op ons voorhoofd dollartekens zien staan, en zien al van verre aankomen als iemand ons iets probeert aan te smeren of zijn prijs vermeerdert omdat we blank zijn. We zijn op elkaar ingespeeld en kunnen daarmee de andere partijen tegen elkaar uitspelen, omdat Jori met de ene taxichauffeur onderhandelt terwijl ik met de ander sta te praten, en zonder dat wij een discussie onderling hoeven te voeren weten we van elkaar op welke prijs we uit willen komen. Daarbij komt dat we, anders dan in een gewone vakantie, ook daadwerkelijk minder onderhandelingsruimte hebben. Ik geloof dat we in de eerste drie maanden in Afrika zo vaak te veel hebben betaald, en daardoor aan het einde van de maand niet uitkwamen met het budget. Daar hebben we wel van geleerd en gebeurt ons nu niet meer zo snel. Voor mijn moeder en Rob was dat wel nieuw natuurlijk, en zij keken met verbazing toe hoe wij de eerste paar dagen onderhandelden over prijzen voor taxi’s enzo. Aanvankelijk maakte dat het onderhandelen voor ons wat moeilijker, omdat zij wat eerder zoiets hadden van ‘deze prijs is toch prima zo’. Zij gingen echter op een gegeven moment de sport ervan ook zien en kregen er steeds meer lol in om de laagste prijs te krijgen, heel cool om te zien! Aan de andere kant werden wij ook soms wat losser met onderhandelen nu we met hen aan het reizen waren, omdat we soms ook zo fanatiek gaan onderhandelen dat we neigen te vergeten dat het over hele kleine bedragen gaat. Het is natuurlijk wel goed om te beseffen dat wij (ook met een strikt dagbudget) het alsnog veel beter hebben dan het meerendeel van de bevolking hier.

Apen en rijstvelden

In Ubud zijn we de eerste dag naar het Monkey Forest geweest, een klein natuurgebied waar een aantal Hindoeïstische tempels staan en vooral heel veel apen leven. De tempels in het bos waren helaas afgesloten en konden we alleen van achter een hek zien, maar waren wel ontzettend mooi versierd. De wandeling was mooi, maar nogal toeristisch. Daarom waren de apen heel agressief, omdat ze gevoerd worden en dus weten waar iets de halen valt. Toen Jori in conflict kwam met een aap die dacht dat de cameratas iets eetbaars bevatte zijn we maar weer gegaan ;-)

Monkey forest

De volgende dag hadden we een lange tocht gepland in de omgeving van Ubud. Rond Ubud is een gebied met rijstvelden, en zeker voor mijn moeder en Rob (die dit nog nooit hadden gezien) daarom een must om te verkennen. ‘s Ochtends vroeg zijn we op pad gegaan voor, wat bleek, een prachtige wandeling! Tussen rijstvelden en langs kleine dorpjes met ontzettend vriendelijke mensen die steeds weer naar je zwaaien en glimlachen, en op de achtergrond de hoogste vulkaan van Bali (Gunung Agung) als prachtig uitzicht. Een forse wandeling van bijna 20 km, waarbij we de lunchpauze hebben overgeslagen om nog op tijd terug te kunnen zijn in Ubud voor een late lunch van speenvarken, een specialiteit van Bali, heerlijk!

Wandelen in de buurt van Ubud

Ubud zelf vonden wij overigens allemaal niet heel erg interessant, het is wat meer gericht op tours in de omgeving, die men je dus overal probeert aan te smeren. Zelfs in het guesthouse kwam de eigenaar en zijn familie regelmatig vragen of we niet vervoer of iets anders wilden hebben. Beetje irritant. Inmiddels waren we ook toe aan iets anders dan Bali (voor ons wat te toeristisch en mijn moeder en Rob zouden hier nog terugkomen), dus was het tijd om richting Lombok te reizen!

Backpackers onderweg

Lombok konden we met de boot bereiken vanaf Padangbai, waar we een nachtje moesten overbruggen (aan het zwembad ;-)). De reis naar Lombok was voor mijn moeder en Rob de eerste lange dag reizen. We wilden na de boot, die er 5 uur over doet, direct naar het noorden reizen om dan een paar dagen op Gili Air door te brengen, een van de kleine eilandjes van Lombok. Dus van de boot in de taxi en weer op een boot naar het eiland. Hoewel een lange dag, ruim 8 uur onderweg, ging het redelijk soepel. Afgezien van wat zenuwen in de ochtend of we de boot zouden halen (dank aan de taxichauffeur die een uur te laat kwam) en in de middag of de overvolle boot naar Gili Air überhaupt de overkant wel zou halen, hebben mijn moeder en Rob zich kranig geweerd! Ik moet erbij noemen dat mijn zenuwen ook wat opspeelden op deze momenten ;-)

Onderweg op de overvolle boot

Backpacken betekent naast onderhandelen ook lokaal vervoer nemen. Op Bali gaat dat wat lastiger, omdat alles daar ingericht is op toeristen. Plus het was voor ons ook wel weer even comfortabel om een taxi te kunnen nemen omdat je nu de kosten met zijn vieren deelt. We probeerden echter wel steeds te ontdekken of er een andere manier van vervoer was. Voor mijn moeder en Rob soms wel spannend, want hoe kan je nou met 20 man in een zeer krakkemikkig busje voor 8 personen?! Nou, dat kan!

In de bus

Blub blub

Op Gili Air aangekomen was het tijd voor wat ontspanning! Dit eiland is er een van drie eilanden (de Gili eilanden) ten noordwesten van Lombok. Een idyllisch eilandje waar je goed kan duiken en snorkelen. En relaxen! Met de voeten in het zand onder het genot van een drankje uitrusten van de dag onderweg, en de volgende dag de onderwaterwereld verkennen. Vlak langs de kustlijn liggen koraalriffen die je vanaf het strand makkelijk kan bereiken. Dus hebben we snorkels gehuurd en konden we het helderblauwe en lekker warme water in. Rob heeft al eerder een keer een proefduik gemaakt op Curacao en zag het dus wel zitten, mijn moeder vond het wel een beetje spannend. Gelukkig hoefden we niet ver te zwemmen, na een paar meter begon het rif al, en wat een leven daar! Gigantische blauwe zeesterren, een grote zeekomkommer, zee-egels en heel veel tropische vissen tussen kleurrijk koraal.

Snorkelen!

Zo dichtbij zelfs, dat ik blij was dat we niet eerder in dat deel waren gaan zwemmen, want die zee-egels wil je niet door je voeten heen krijgen. Zonde wel dat het eiland zo drukbezocht is, en er tientallen bootjes aanleggen voor de kust, waar ze de ankers gewoon midden in het koraal uitgooien. Maar een hele coole ervaring, en ook mijn moeder was zeer enthousiast en heeft de smaak van het snorkelen te pakken gekregen!
In de avond moesten we uiteraard ook een visje eten (om zelf maar even voort te zetten wat de bootjes ook doen…). Hoewel mijn moeder en Rob zich tot nu toe strikt aan hetzelfde budget hadden gehouden, zouden ze natuurlijk hun naam niet waarmaken als ze ons niet af en toe zouden dwingen wat extra’s te doen. Hier konden we daarom genieten van een heerlijke kreeft!

Lekker!

En dat was niet alles, we mochten op Gili Air ook een duik maken, wat een luxe! Zoals ik noemde, heeft Rob al eerder een proefduik gemaakt, en vond het toen heel gaaf. Nu was een leuke kans om samen een duik te maken. Dus Rob startte de dag al vroeg met een zwembadles, en wij sloten later aan voor de duik op zee. We doken met zijn vieren, met een Nederlandse instructrice, mijn moeder vond snorkelen wel voldoende adrenaline en bleef lekker aan het strand. Dit was voor ons ook de eerste keer dat we alleen een fundive gingen maken en elkaars buddy waren, dus wij waren blij dat het een klein groepje was en we niet zo diep gingen (12 meter). Helaas bleek op de boot de batterij van de camera leeg dus konden we onder water geen foto’s maken. Jullie zullen me op mijn woord moeten geloven dat we echt hebben gedoken, en dat het ontzettend mooi was! Het zicht was zo goed dat we vanaf de boot de bodem al konden zien, en tijdens de duik heel veel tropische vissen en zelfs twee zeeschildpadden! Ook Rob deed het top en heeft goed om zich heen kunnen kijken en genieten van de duik.

Helaas, het enige bewijs van onze duik…

Natuurgeweld

Vanaf Gili Air waren we eigenlijk van plan om naar Flores af te reizen en de komodo-varanen te bekijken. We hadden echter onderweg naar Lombok al gehoord dat veel boten niet konden afvaren vanwege een storm die vanaf het oosten deze kant op kwam. Waar de aswolk van een vulkaan op Oost-Java onze plannen niet kon verstieren (de vliegvelden die daarom sloten op Java en Bali was precies een dag nadat mijn moeder en Rob al waren geland!), zat deze storm ons helaas wel in de weg en moesten we de plannen veranderen. Tja, dat is het risico van niets van tevoren plannen, dan lukt er wel eens iets niet…

Berichtgeving over de aswolk

Going local

Gelukkig viel er op Lombok zelf ook nog genoeg te verkennen. We besloten een paar dagen in Senggigi door te brengen, een stadje aan de westkust van Lombok. Daar lagen een paar plaatsjes bij elkaar die leuk waren om te bezoeken en iets meer een beeld geven van het lokale leven. Dit begon al bij aankomst, toen we een stukje gingen lopen om te verkennen. We liepen langs het strand en daar zat een grote groep mensen die het einde van de Ramadan aan het vieren waren. Allemaal families die bij elkaar kwamen rond zonsondergang en elkaar feliciteren en samen eten en drinken. Wij waren de enige toeristen daar en waren dan ook een bezienswaardigheid. Zoals dat gaat in zulke gastvrije landen werden we door een familie uitgenodigd om bij hen te komen zitten en koffie te drinken, en vertelden ze ons over hun leven, zo bijzonder! Mijn moeder en Rob konden er niet over uit dat er nog mensen bestaan die zo gastvrij zijn, leuk om te zien.

Gastvrijheid in Senggigi

De volgende dag zijn we naar de stadjes Ampenan en Mataram gegaan. De eerste is de vroegere hoofdstad van Lombok en daar zijn nog veel Nederlandse invloeden terug te zien in met name de architectuur. We konden hier een beetje ronddwalen door de kleine steegjes een langs de oude haven, leuk om het dagelijks leven van de lokale bevolking te zien. In Mataram, de huidige hoofdstad zijn we naar een paar markten geweest om te zien waar al dat overheerlijke eten in Indonesië vandaan kwam. Ik weet niet of het een heel goed plan was, want de lucht is niet overal even fris ;-) maar kleurrijk was het zeker! We hebben hier ook nog een paar tempels bezocht, al waren die niet echt de moeite waard… Alsnog een leuke dag, ook omdat we hier wat minder (of geen) toeristen tegen kwamen en we daardoor een beter beeld van het leven hier konden krijgen. En de hele dag een beetje van hot naar her rijden met verschillende vervoersmiddelen, met als klapper een echt ouderwetse paardenwagen, was ook leuk!

Op de markt

De bergen in

Indonesië bevat ontzettend veel vulkanen, waarvan het nu niet zo verstandig was om die op Java te gaan bezoeken, maar op Lombok staat de Rinjani vulkaan, waarvan we hoorden dat het de moeite waard was om die te bezoeken. Ook lekker om even een wat koeler klimaat op te zoeken, dus met de bemo (een soort open mini vrachtwagentje) zijn we weer richting het noorden getrokken. Ja inderdaad, door niet zo’n zorgvuldige planning zijn we in Lombok drie keer op en neer gereisd, en konden we nu weer zwaaien naar Gili Air ;-)

In de bemo (met af en toe een stop voor een foto)

In Senaru, het dorp aan de voet van de vulkaan vanwaar de meeste tochten vertrekken, vonden we een hotel met prachtig uitzicht op de vulkaan. Omdat mijn moeder en Rob het niet zo zagen zitten om echt flink te gaan klimmen zouden we een dag samen een wandeling naar twee watervallen maken en een dag apart van elkaar, zodat Jori en ik wel een deel van de tocht de vulkaan op konden maken.

De Rinjani vulkaan en zonsopgang

De wandeling naar de watervallen was echt prachtig, door het bos en langs het water. De eerste waterval is heel toeristisch en was nu extra druk vanwege de vakantie die de meeste locals hebben na de Ramadan. Hier konden mijn moeder en Rob kennismaken met de befaamde foto-makende Aziaten: Rob moest op de foto met een Indonesiër!

Op de foto!

De tweede waterval wordt door veel minder mensen bezocht omdat het moeilijker te bereiken is. Zonde voor hun, gelukje voor ons, want deze waterval is heel mooi! Onderweg moesten we hele stukken door het water heen, over gladde stenen. Voorzichtig, maar echt een toffe wandeling! Daar aangekomen konden we natuurlijk niet zonder een duik weer vertrekken (of halve duik voor mijn moeder en Rob ;-)) Super koud, maar wel leuk!

De watervallen in Senaru

De volgende dag zijn mijn moeder en Rob samen op pad gegaan in de omgeving. Gewapend met een offline kaart op hun telefoon zodat ze ook weer terug zouden komen, zijn ze langs rijstvelden en cacaobonen plantages (en nog veel meer, maar ik weet niet meer precies welke haha) gewandeld. Naar wat ik begreep was het erg mooi! Wij zijn vroeg vertrokken richting de vulkaan. De meeste toeristen boeken hier een meerdaagse trekking, waarbij je in een dag naar de kraterrand loopt, daar overnacht en de volgende ochtend vroeg de klim naar de top maakt en dan weer terug loopt. Wij gingen natuurlijk voor de budgetmanier, en dachten gewoon te gaan klimmen tot zover we konden komen en dan aan het einde van de dag weer terug te zijn. We gingen goed van start met een mooie klim door het bos. Onderweg kwamen we veel mensen tegen die de top ‘s ochtends heel vroeg hadden bereikt en nu terug kwamen. Iedereen zag er gesloopt uit, dat had een teken moeten zijn… Het pad was goed begaanbaar en duidelijk aangegeven, en met een lekker tempo klommen we vanaf de ochtend tot begin van de middag tot op ruim driekwart. Steeds maar berekenen hoe ver je nog kan gaan om genoeg tijd te hebben voor de terugweg, en naarmate we verder kwamen werd duidelijk dat als we flink door zouden lopen, we het zouden kunnen halen tot de kraterrand! En als je dan al zo ver bent gekomen wil je natuurlijk door ;-) Iedereen die je tegenkomt betaalt honderden euro’s om met een gids in meerdere dagen daar te komen, en nu zouden wij op onze gympies dat even voor niks doen! Zeg nou zelf, wat had jij gedaan?! We hoorden wel dat het laatste stuk zwaar was, maar we zijn inmiddels wel wat gewend. Oh, maar toen kwamen we bij de laatste klim naar de rand, heel steil en door rul zand omhoog, met tijdsdruk want over een half uur móesten we terug om voor het donker beneden te zijn. Mijn god, dat was kapot gaan! Zo zwaar dat ik tot op 500 meter voor het einde echt niet meer verder kon en dus moest afhaken. Zeer pijnlijk, ik geef niet snel op, maar nu deed mijn lichaam even niet meer mee ofzo. Dus dappere Jori heeft het laatste stuk alleen gelopen, en heeft de kraterrand bereikt! Snel wat foto’s genomen van het kratermeer (wat natuurlijk op dat moment in de mist gehuld is, waardoor er eigenlijk niets te zien valt) en toen zo’n beetje terug gerend naar beneden. Wat we in 6 uur naar boven hebben gelopen, zijn we in een recordtempo van 2,5 uur weer naar beneden gegaan en kwamen precies toen het donker was weer aan in het dorp. Mijn moeder en Rob inmiddels wel bezorgd (op de berg hadden we geen bereik dus zij wisten niet dat we later zouden zijn), maar gelukkig hadden we mooie verhalen uit te wisselen. Verder konden we die avond niet veel meer dan eten en slapen, maar het was zeker de moeite waard! Ook de spierpijn van die drie dagen erna…

Het lijkt niet veel, maar het was de moeite waard

Tussenstop op bekend terrein

Na Lombok was het tijd om weer door te reizen richting Java, aan de andere kant van Bali. Inderdaad niet zo handig om zo kriskras door Indonesië te gaan, maar de vluchten op Bali zijn nu eenmaal het goedkoopst. Dus weer een lange dag reizen naar Bali, waar we een nacht zouden blijven voordat we de bus pakten naar Java. Om het noodzakelijke met het aangename te verenigen zijn we in de hoofdstad gaan overnachten zodat we Tanah Lot konden bezoeken. Dit is een zogenaamde watertempel, dus een tempel die op een rots in de zee is gebouwd, bedoeld om zeedemonen weg te houden. Het is een erg toeristische plek en verschrikkelijk druk, maar de tempel zelf is wel bijzonder om te zien.

Tanah Lot

Borobudur en Prambanan

Vanaf Bali is de snelste manier om naar Java te komen met de nachtbus, en hoewel mijn moeder in de eerste dagen riep dat ze dit absoluut niet ging doen, was nu haar eigen voorstel om de bus te pakken (wat zo’n reis al niet met je kan doen hè). Gelukkig was de bus niet helemaal vol en konden we breeduit een redelijke nacht slapen. We zijn naar Yogyakarta gegaan, een stad halverwege het eiland. Op Java is verder niet heel veel te bezoeken, dus dit zou onze laatste stop zijn voor Jakarta, vanwaar onze wegen weer zouden scheiden.
Yogyakarta is een grote stad, maar anders dan de meeste steden wel sfeervol. In het centrum loopt een lange hoofdstraat, vol met winkeltje en eetstalletjes waar we heerlijk konden eten. En konden we hier weer een nieuw vervoersmiddel uitproberen, de fietstaxi! Magere kleine mannetjes die weldoorvoede westere toeristen een heuvel op fietsen. Rob kon het daarom ook niet laten om de beste man even te helpen ;-)

Op de fietstaxi

We waren ook in Yogyakarta vanwege de twee must see toeristische trekpleisters van Indonesië. Een dag zijn we naar Borobudur gegaan, een gigantische boeddhistische tempel uit de 9e eeuw. Het complex is pas in 1814 ontdekt omdat het begraven lag onder vulkanische as sinds een uitbarsting in 1006. Hoewel ook deze plek weer bedolven wordt onder toeristen, was het zeker de moeite waard om te bekijken.

Borobudur

De volgende dag zijn we naar Prambanan gegaan, ook weer een heel groot tempelcomplex uit dezelfde tijd maar dan Hindoeïstisch (al zijn hier ook boeddhistische invloeden te zien, wat wel een een bijzonder beeld geeft van de tolerantie naar andere religies in die tijd). Deze tempel vonden wij allemaal nog indrukwekkender dan die in Borobudur, vooral omdat de versieringen wat uitbundiger zijn. In 2006 is een groot deel van het complex verwoest door een aardbeving, waardoor nu veel herstelwerkzaamheden gaande zijn. De ruïnes om de nog bestaande tempels heen gaven het geheel een bijzondere sfeer, ondanks de, ook hier weer, vele toeristen die er rondlopen. Op de foto’s zie je overigens amper toeristen, want Jori is er in de loop van de maanden een kei in geworden om op zo’n manier foto’s te nemen dat het lijkt alsof wij daar de enige waren ;-)

Prambanan

Tijd voor afscheid

De leukste manier om van Yogyakarta naar Jakarta te reizen is met de trein. We hadden gehoord en gelezen dat deze route erg mooi was en aangezien we dit vervoersmiddel nog niet hadden gehad in Indonesië moesten we daarmee natuurlijk afsluiten! Toen we kaartjes wilden kopen bleek echter dat het treinvervoer erg populair is in deze periode en waren er alleen nog maar dure tickets te krijgen. Wij wilden daarom toch maar de bus pakken, maar dat liet Rob niet toe! Als cadeautje (uit zijn eigen potje haha) kregen we deze reis van hem! Dus konden we toch op deze relaxte manier het laatste stuk afleggen, en de route bleek inderdaad erg mooi. Langs eindeloze rijstvelden en heuvels, terwijl we in de trein bediend werden met lunch, leuk hoor!
In Jakarta zelf was, zoals we wel wisten, niet veel te beleven. De zoektocht naar een slaapplaats was wel al een avontuur op zich, de budget accomodaties bleken erg budget, dus het was even zoeken. Gelukkig vond Rob genoeg plekken waar ze een ‘eesie-wiesie’ hadden, ofwel airco en wc (AC-WC), dus uiteindelijk hadden we een acceptabele plek. Voordeel aan de wijk waar we verbleven waren de vele barretjes waar we met een drankje nog even konden terugblikken op de laatste weken samen! We zijn de laatste dag voor we afscheid namen door Jakarta gelopen, naar de haven en de vismarkt. Wel leuk, maar Jakarta is vooral een nogal vieze en grauwe stad.

De vismarkt in Jakarta

En toen was het moment voor afscheid daar! Na drie weken reizen door Indonesië, waarbij mijn moeder en Rob vele grenzen hebben verlegd en wij van iets meer luxe mochten genieten, zouden onze wegen weer scheiden. Wij vlogen door naar Singapore, en zij terug naar Denpasar, waar ze nog hun laatste tien dagen, gewapend met onderhandelingsskills en een iets zwaardere tas (sorry, die Lonely Planets moesten we echt kwijt), zouden doorbrengen op Bali. Ze hebben genoten van een aantal dagen aan het strand van Lembongan, waar wij Indonesië waren begonnen, en zo is het cirkeltje weer rond!

Mandy en Jori op reis

Reisverslag 2014-2015